Zeus’ narcose

Volgens de regels moet de anesthesist bij het inleiden, het uitleiden en bij problemen aanwezig zijn gedurende een narcose. Op andere momenten is het hem toegestaan de operatiezaal te verlaten. Hij moet daarbij wel beschikbaar zijn om in te grijpen als er iets misgaat. De taak van oppasser wordt bij dergelijke gelegenheden door een anesthesieverpleegkundige waargenomen.

Tijdens een operatie worden bloeddruk en pols van de slapende in de gaten gehouden, net als andere parameters die aangeven of alles in orde is of niet. Wanneer de ene of andere waarde buiten de norm gaat kan de verpleegkundige ofwel zelf ingrijpen – wat ervaren en goed geïnstrueerde verpleegkundigen prima kunnen – ofwel de anesthesist terugfluiten.

Nu moet men niet denken dat een anesthesist zomaar wegloopt en zijn patiënt weerloos in de handen van de chirurgen achterlaat. Hoe meer ervaring hij echter heeft, hoe beter hij leert inschatten bij welke patiënten en in welke omstandigheden er een risico is dat er iets scheef gaat en wanneer niet. Bij een patiënt waar problemen te verwachten zijn en de situatie ieder moment kan omslaan, houdt de anesthesist alles scherp in de gaten. Zijn eigen adrenalinespiegel is dan net zo hoog als die van de patiënt.

Bij de meeste operaties zijn dergelijke dramatische toestanden echter niet te verwachten. Het gaat dan vaak om gezonde mensen. Doorgaans niet gezonde, maar “gezonde” mensen. 100% gezonde hoeven natuurlijk niet geopereerd te worden. “Gezond” is in deze context een uitdrukking die betekent dat de persoon in kwestie enkel een geïsoleerd probleem heeft dat door de operatie verholpen moet worden. Daarnaast zijn er geen andere gezondheidsproblemen. Typische voorbeelden zijn patiënten met een blindedarmontsteking of met bepaalde gehoorproblemen.

Eens zo’n patiënt onder narcose is, aangesloten op de beademingsmachine en de chirurgen aan het werk gaan is er voor de anesthesist niet meer veel te doen. Een typisch geval voor een ervaren anesthesist om even een koffie te gaan drinken.

Dat is het moment waarop Zeus ter hulp wordt gevraagd. Wie wil er niet door een god bewaakt worden? Zeker wanneer hij zelf geen controle meer over een situatie heeft, beveelt de mens zich vaker in Gods handen aan. Al is het dan een oude god, waar niet meer zo veel over gehoord wordt. Zeus is een god die wel kan zien dat er iets mis gaat, maar niet kan ingrijpen. Zeus kan met andere woorden wel donderen en bliksemen, maar kan niets constructiefs doen.

zeus-ie-d-9004-2016

Advertisements

“Niet jouw schuld”

 

Vervolg van “Moord en doodslag”

Iedere mens maakt af en toe fouten. Daar moet men mee kunnen omgaan, hoewel dat niet altijd even eenvoudig is. Sommige fouten hebben nu eenmaal ernstige consequenties.

Artsen zijn helaas ook maar mensen en maken bijgevolg ook fouten. Uit de aard van de zaak vallen deze vaak in de categorie met ernstige gevolgen. In het ergste geval kan een eenvoudige vergissing het verschil tussen leven en dood uitmaken. Een feit dat door artsen en patiënten doorgaans stilzwijgend wordt geaccepteerd.

Hoewel sommige artsen proberen hun fouten te erkennen en er uit te leren, is het niet ongebruikelijk de slechte nieren van de patiënt, de anesthesist – wanneer we over chirurgen spreken – ,de stand van de maan of wat zich verder aandient ,als zondebok aan te wijzen.

In dit klimaat vinden mijn zelfverwijten geen begrip. De mededeling dat mijn patiënt van de voorgaande dag, die ik in goede toestand en in de verwachting dat de operatie spoedig ten einde zou zijn, aan mijn collega had toevertrouwd ,overleden was na 14 uur opereren was een slag in mijn gezicht. De rest van de dag was ik volledig van de kaart door wat er was gebeurd.

“Je bent arts, je moet er mee leren omgaan dat patiënten doodgaan,” zegt een collega die ik probeer duidelijk te maken wat er in mij omgaat. Dat is zo. Dat kan ik ook. Sommige patiënten zijn aan het einde van hun leven gekomen en ik ben de laatste om nutteloze, wanhopige pseudobehandelingen aan te moedigen. Maar deze patiënt had echt niet moeten sterven. Hij had – met één been – nog jarenlang van een pensioen kunnen genieten. Hoewel het geen aantrekkelijk vooruitzicht is, is een leven met één been heden ten dage goed te leiden.

“Oh shit,” is de bijzonder inspirerende reactie van een andere collega. Een standaard antwoord zoals vrouwen vaak uiten. Ze heeft wel gehoord wat ik zei, maar ziet er verder geen graten in.

De collega die mij de dag tevoren had geholpen bij deze patiënt moet toch ook weten wat er gebeurd is, denk ik voor ik haar aanspreek: “Onze patiënt is dood.” “Welke? Die van gisteren? Nee, toch? Door onze schuld?” “Doodgebloed,” informeer ik haar. “Oh! Dan is het goed,” is de strekking van haar reactie voor ze overgaat tot de orde van de dag.

Om te achterhalen hoe het precies gegaan is, bekijk ik de brief die mijn collega voor de huisarts heeft geschreven. “Veertien eenheden bloed getransfundeerd,” staat daar – wat overeen komt met circa zeven liter, terwijl een volwassene vijf à zes liter bloed heeft. “Hemorhagische shock,” zie ik – wat er gebeurt wanneer men extreem veel bloed verliest.” “Heparine, Agathra, Lyse,” – verschillende bloedverdunnende (!) medicamenten. Tot slot: “Exitus lethalis.” Dat zijn de dingen die mij bijblijven. Het is genoeg om de tranen van ergernis, frustratie en verslagenheid om dit teloorgegane leven in mijn ogen te laten opwellen.

“Het is niet jouw schuld,” probeert een andere, gelaten collega mij te troosten. Maar dat zegt iedereen die betrokken was tegen zichzelf. Niemand heeft kennelijk schuld aan deze dood. Die houding frustreert mij: zonder schuldgevoelens lijkt niemand iets te willen verbeteren, zodat de volgende patiënt hetzelfde noodlot tegemoet gaat.

Oude rot

Gedurende mijn eerste dagen in de anesthesie had ik een babysitter: een ervaren anesthesist zat op een stoel in de hoek en hield een oogje in het zeil. Niet dat ik onbedoeld een patiënt naar de volgende wereld stuur…

Heini is een oude rot in het vak. Hij is waarschijnlijk al langer anesthesist dan ik leef. – Als niet ter zake doend feit zij vermeld dat we beide aan dezelfde universiteit hebben gestudeerd, met dertig jaar tussentijd. – Helaas heeft Heini’s carrière zijn motivatie lang overleefd.

Een van de redenen waarom hij een goede oppasser is voor beginnende anesthesisten, is dat hij geen motivatie heeft in te grijpen voor het nodig is. Pas als iets mis dreigt te gaan, verheft hij zich en maakt wat krom is weer recht. Steeds onder protest. Hij beperkt het werk tot een minimum en telt de dagen tot zijn pensioen.

Hij neemt zelfs niet de moeite om individuele woorden en zinnen te gebruiken wanneer hij met de patiënt spreekt. Iedere patiënt krijgt voor het inslapen dezelfde zinnen geserveerd. “U krijgt een begroetingscocktail. Het is als na een glaasje sekt. Of beter: na een hele fles. Tot zo.” Patiënt na patiënt wordt zo te slapen gelegd. Dag in, dag uit; maand in, maand uit; jaar in, jaar uit.

Het was dus een verrassing voor allen toen deze oude rot zich plotseling betrokken voelde bij een patiënte. Het ging om een jonge vrouw met een kanker in mond en aangezicht. Ze had al een enorme operatie ondergaan. Omdat het de eerste dagen na zo’n operatie niet mogelijk is via de natuurlijke weg te ademen, had men een tracheostoma – een kunstmatige toegang tot de luchtpijp – gemaakt.

Ondanks de uitgebreide operatie, was de behandeling van de kanker niet afgerond: ze had nog chemotherapie nodig. Omdat chemotherapie kleinere bloedvaten kapot maakt, wordt bij vele kankerpatiënten een klein reservoir ingeplant. Vanuit dit reservoir vloeien de medicamenten direct in de grotere bloedvaten die minder gevoelig zijn voor toxische effecten.

Kort na haar eerste operatie, moest deze jonge vrouw opnieuw onder het mes om een dergelijk reservoir te laten implanteren. Het tracheostoma had ze in principe niet meer nodig, maar het was nog niet toegegroeid. De eenvoudigste manier om de narcose voor de tweede operatie door te voeren was om het tracheostoma opnieuw te gebruiken en de patiënte daarover te beademen gedurende een algemene anesthesie. De patiënte wilde dit echter niet: voor haar was het gebruiken van het tracheostoma een stap achteruit in haar genezingsproces met meer afhankelijkheid tot gevolg.

Tot ieders verbazing koos Heini voor de moeilijkere weg om in lokale anesthesie te laten opereren om de patiënte ter wille te zijn. Het was de moeilijkere optie omdat een patiënt bij zo’n procedure angstig kan worden en daardoor problemen kan hebben tijdens de operatie. Het vergt een beetje empathie en handjes houden van de anesthesist om zoiets tot een goed einde te brengen. Iets waarvoor Heini vaak geen geduld wil opbrengen. Nu was hij echter vol begrip en verzette zich zelfs tegen de chef die voor de eenvoudigere algemene anesthesie wilde kiezen.

Helemaal afgestompt is zelfs onze oude rot niet.

Prinsesje

“Kom snel!! Er is een meisje gekomen met heel erge buikpijn.” Het was een beetje een ongewone roep in onze “nood”-dienst, waar negentig procent van de patiënten geen zuster kunnen bewegen om snel iets te doen, omdat hun klachten medisch gezien überhaupt niet dringend zijn. Ik liet dus vallen waar ik mee bezig was en ging met de zuster mee om te gaan kijken wat er aan de hand was.

Wanneer ik de behandelruimte binnenren zie ik een pubermeisje op de onderzoekstafel liggen, haar benen ondersteund door een jonge man. Het meisje heefte duidelijk enorme pijn, dus terwijl ik vraag wat er gebeurd is, welke klachten ze buiten pijn nog heeft en dergelijke meer, leg ik direct een infuusnaald, neem bloed af en sluit het infuus met pijnstillende medicatie aan dat de zuster ondertussen voorbereid heeft.

Zoals dat gaat komt een ongeluk echter nooit alleen en wordt ik op dat moment gebeld dat op de afdeling een patiënt bewusteloos op de gang is gevonden. Hoewel ik weet dat het om een drugverslaafde patiënt gaat die zich nauwelijks laat helpen en die het voltallige personeel tegen zich in het harnas heeft gejaagd, kan ik een bewusteloze niet aan zijn lot overlaten. De meest dringende maatregelen zijn genomen bij mijn jonge patiënte, dus ik laat haar achter in de handen van de zuster en beloof zo snel mogelijk terug te komen.

Nadat ik mijn andere patiënt van de vloer heb gekrabd en op de intensieve zorgen heb geparkeerd, kom ik terug in de kamer met de zieke jongedame. Ondertussen is ze door twee jonge mannen en haar moeder vergezeld. Mijn oorspronkelijke inschatting dat het bij de jonge man om een vriendje ging, is door de komst van het tweede exemplaar onwaarschijnlijk geworden. De moeder zit op een krukje en houdt het schouwspel in het oog. De ene man houdt nog steeds de benen van de patiënte vast, omdat het haar pijn doet deze uit te strekken – een typisch symptoom voor ernstigere buikproblemen. De andere man houdt haar hand vast. Beiden zijn erg bezorgd en gemotiveerd om mij alle relevante informatie te geven, zodat ik hopelijk snel tot een correcte diagnose kan komen. Het grootste deel van mijn aandacht is ook hierop gericht, terwijl ik minder bewust probeer in te schatten wat de relatie tussen dit meisje en de twee jonge kerels is. Langzaam begint het mij te dagen: voor de verandering heb ik geluk en is het niet één of ander stel ongeregeld dat mijn spoeddienst is komen binnenvallen. Het is een hechte en zorgzame familie en het meisje is hun prinsesje dat door ouders en broers met liefde en aandacht omringd wordt.

Goed te weten dat dit soort families ook nog bestaan.

Spaghetti- en crisismanagement

Anesthesie heeft de reputatie zeer simpel te zijn: de patiënt te slapen leggen, koffie drinken om zelf wakker te blijven en dan de patiënt weer wakker maken. Het is het beeld dat bij andere medische specialisten heerst als het over anesthesie gaat. Dat het niet uit de lucht gegrepen is, blijkt uit het feit dat anesthesisten zelf net zo over hun vak spreken. Bij de start op mijn nieuwe afdeling, werd ik gerustgesteld door één van de oude rotten: “Je zult zien: het is een eenvoudig vak.”

De vooroordelen over het koffiedrinken, worden nog sneller bevestigd dan die over de eenvoud van het specialisme. De eerste dag wordt ik meegestuurd met een meer ervaren collega. Het eerste wat ze mij uitlegt is niet hoe men narcose uitvoert of een anesthesiemachine bedient, maar hoe men de koffieautomaat de levensnoodzakelijke drug kan ontfutselen.

Toch is niet alles in anesthesie eenvoudig. Zo lang alles goed gaat, bestaat het werk er inderdaad in om te wachten tot de chirurgen klaar zijn met hún deel van de arbeid. Voor en na de operatie zijn er in het algemeen zo’n vijftien minuten waarin de anesthesist zijn kunsten mag tonen. Het laten slapen van de patiënt is niet zo moeilijk, het aansluiten op de beademingsmachine overzichtelijk en het in leven houden van de patiënt meestal een routinezaak.

Er zijn echter twee grote moeilijkheden aan het anesthesiologisch werk verbonden. Het eerste daarvan is onverwacht: het beheren van de spaghetti. Niet de Italiaanse glibberige slierten natuurlijk. De anesthesiologische spaghetti bestaat uit een set van kabels voor de observatie van hartfunctie, bloedsomloop en bloeddruk, een set beademingsslangen en meerdere infuusleidingen. Het aantal van deze dingen wordt bepaald door de gecompliceerdheid van de operatie en de algemene toestand van de patiënt. Alles samen zijn het gemakkelijk tien tot twintig leidingen en kabels die niets liever doen dan zich in een innige omhelzing verstrengelen. Het gevolg daarvan zou zijn dat ze hun functie niet naar behoren uitvoeren en dat in noodgevallen geen overzicht bestaat over wat wat is en er dus fouten kunnen optreden. De opdracht van de anesthesist bestaat er dus vooral in deze slierten aan het lijntje te houden.

De eerste helft van de opleiding besteedt men vooral aan het leren beheren van dit grote spaghettimonster. De tweede helft heeft men nodig voor de tweede moeilijkheid: het bezweren van voorkomende crisissen. Anesthesie is namelijk het vak van de “hours of boredom, minutes of excitement, seconds of terror.” Zoals gezegd heeft de anesthesist niks te doen zolang alles goed gaat met de patiënt, maar de momenten van verschrikking vergen een directe reactie. Als in: DIRECT. Een minuut te laat reageren kan in zo’n geval al dodelijk zijn.

Welke van beide moeilijkheden de grootste is, is niet geheel en al duidelijk.

Moord en doodslag

 

In memoriam Reinhard K.

Ethiek is een onderschatte discipline van de moderne geneeskunde. Het onderzoeken van wat goed en slecht is, is zeer belangrijk. Ik spreek dan niet zo zeer over de theoretische, abstracte studie hiervan. Hoewel ook dat belangrijk is, gaat het in de geneeskunde over concrete vragen over concrete mensen en hun concrete problemen.

Een arts is, afhankelijk van zijn werkomgeving, regelmatig in een situatie waar beslissingen over leven en dood worden genomen. Een anesthesist is uit de aard van zijn werk vaak in dit soort situaties. Hij staat aan de knoppen van andermans leven. Letterlijk. Patiënten met ernstige ongelukken, zware ziektes of op de operatietafel hebben doorgaans kunstmatige beademing of ondersteuning voor hart en bloedsomloop nodig. De specialisatie van de anesthesist. Het te vroeg of ongecontroleerd beëindigen van deze therapieën kan in veel omstandigheden tot de dood van de patiënt leiden. Soms wordt verwacht dat artsen beslissen over de zin van de therapie: wanneer het voortzetten ervan niet meer leidt tot genezing, het lijden verlengt en een dode verhindert te sterven.* Deze beslissing is echter niet eenvoudig. Een kristallen bol heeft niemand. Patiënten die tegen alle verwachtingen in weer herstellen uit een schijnbaar hopeloze toestand bestaan.

Hoe vaak in dergelijke situaties de verkeerde beslissing genomen wordt, is niet te achterhalen. Een patiënt die het misschien gehaald had niet verder behandelen? Het wordt niet bewust gedaan, de therapie niet onderbroken om iemand om te brengen. Toch is daar de vraag: is dit doodslag?

Nog moeilijker is dit te zeggen in de omgekeerde situatie, waar geen therapie wordt onderbroken, maar net tot een bepaalde therapie wordt besloten. Zeker bij het stellen van de indicatie voor zware, ingewikkelde, gevaarlijk operaties. De bedoeling is dat de patiënten er uiteindelijk beter van worden, om hen een stuk leven te geven dat ze anders niet hadden gehad. Helaas is bij dergelijke operaties het risico op complicaties niet te verwaarlozen. De dreiging van complicaties met dodelijke afloop, is bij enkele ingrepen heel reëel. Zolang deze operaties worden doorgevoerd om de patiënt te helpen, zolang de patiënt het eens is met de behandeling, valt de arts geen moord te verwijten wanneer het onverhoopt catastrofaal afloopt.

Wat is het echter wanneer het helpen van de patiënt niet meer de intentie is? Wat te denken van de chirurg die zijn patiënt opereert niet omdat hij in eer en geweten meent dat het zijn medemens ten goede komt, maar om te laten zien wat hij kan? Gemotiveerd door een corrupt systeem dat artsen motiveert zo veel mogelijk zeer zieke patiënten te opereren door het toekennen van punten en daaraan verbonden financiële middelen, overreedt de chirurg zijn patiënt tot een operatie. Daartoe verwaarloost hij de risico’s die eraan verbonden zijn. De succeskansen worden als zijnde bijna 100% voorgesteld. Complicaties komen voor maar zijn, zo wordt gesuggereerd, zeldzaam.

Tijdens de operatie is de patiënt weerloos overgeleverd aan het medische personeel. Hij kan niet meer zeggen wat hij nog wel of niet meer wil. De chirurg wil kost wat kost de operatie laten slagen. Urenlang, verbitterd verder opererend is zijn enige doel het perfecte plaatje te creëren. Hij is blind voor de mens die in het roerloze lichaam op de operatietafel huist. Naarmate de tijd verstrijkt gaat het steeds slechter met de patiënt. Indien de operatie wordt afgebroken zou de toestand gestabiliseerd kunnen worden. Daar heeft de chirurg echter geen oren naar: hij is nog niet klaar met opereren. Hij geeft instructie dat er bepaalde medicatie toegediend moet worden om de operatie te vereenvoudigen. Het enorme bloedverlies voor de patiënt, is voor de chirurg niet van belang. Uiteindelijk bloedt deze patiënt dood. Is dit moord?

De anesthesist die de operatie begeleidde, die de patiënt onder narcose bracht en hulpeloos aan de chirurg overleverde, die de instructies van de chirurgen opvolgde om de fatale medicatie toe te dienen – al dan niet na daartegen protest te hebben aangetekend – wetend tot wat voor problemen dit zou kunnen voeren, is deze anesthesist medeplichtig aan moord.

Wordt vervolgd.

*Dichterlijke vrijheid zo te zeggen. Sommige patiënten zijn op het einde van hun leven aangekomen, maar de medische techniek verhindert het hen de laatste stap op hun levensweg te zetten.

Moderne ergernissen

“Stilstand is achteruitgang.” Een vaak gehoord motto in allerlei omstandigheden. Het is eveneens een excuus voor de zogenaamde progressieven om allerlei vernieuwingen door te voeren. Vernieuwingen die niet altijd een verbetering zijn en soms zelfs een slechtere situatie creëren. Een feit dat ook in de medische sector bekend is.

Het ziekenhuis is trots op zijn “super operatiezalen.” Naast de oudere ruimtes zijn sinds enkele maanden twee nieuwe, hypermoderne zalen in gebruik genomen. Niet dat er nu twee zalen meer gebruikt kunnen worden; door personeelsgebrek zijn twee van de oudere zalen nu gesloten.

Eén van beide nieuwe zalen is nog “beter” uitgerust dan de andere.

Voor ik de eerste keer aan het werk was in deze zaal, had ik van enkele collega’s uit de anesthesie al klachten gehoord. Volgens hen was er veel te weinig ruimte voorzien voor de anesthesisten en was het daardoor erg onaangenaam daar te werken. Ik had maar met een half oor geluisterd. Per slot van rekening wordt er overal en over alles gemopperd.

Toen ik voor het eerst mijn slaapverwekkende kunsten ten toon mocht spreiden in deze zaal, was ik onvoorbereid op de problemen die deze super-operatiezaal met zich meebrengt.

Het nieuwe aan de zaal lag voor de hand. Het zogenaamde “super” bestaat uit een intra-operatieve CT-scan. Röntgenbeelden worden al langer tijdens bepaalde operaties gebruikt, vooral door traumachirurgen die gebroken botten weer samen puzzelen. Het nieuwe toestel is niet enkel in staat om röntgenfoto’s te maken, maar ook scans. Op die manier is het mogelijk beenderen en andere structuren van verschillende hoeken en in
meer detail te bekijken​ dan met klassieke foto’s.

Hoe mooi dat allemaal ook mag klinken, zo’n toestel heeft niet alleen maar voordelen. Om te beginnen kan een overmatige blootstelling aan röntgenstralen schadelijke effecten hebben op de gezondheid. Zolang die moderne machine enkel foto’s maakt gebruikt het niet meer – mogelijk zelfs minder – straling dan de oude toestellen die in gebruik zijn. Bij het maken van scans is echter veel meer straling nodig. Door het beschikbaar zijn van de
optie om scans te maken, wordt er ook gescand. Dit is geen veronderstelling, maar de realiteit. Mijn eerste patiënt in deze zaal werd aan de wervelzuil geopereerd. Het is tegenwoordig standaard om na zo’n ingreep een CT-scan te maken. Bij de patiënt in deze zaal was het niet nodig deze postoperatieve scan te maken, omdat er al 3 (drie) scans gemaakt waren tíjdens de operatie. Kortom, een eerste probleem met de moderne zaal is de overmatige blootstelling van patiënten en personeel aan röntgenstraling.

Er zijn echter nog meer klachten over Foefie – de bijnaam die een van de personeelsleden aan de machine gegeven heeft. Foefie is ook een fysieke bedreiging voor de anesthesist. De scan wordt gemaakt door de röntgenbron en -ontvanger rond de patiënt te draaien. Het toestel beweegt zich ten dele zelfstandig, op commando van de chirurg. Niemand die kijkt of er nog iemand in de weg staat. De anesthesist staat direct naast Foefie opgesteld en loopt het grootste risico door de bewegende armen omvergemaaid te worden. Een
toevallig in de weg staande anesthesist, bezig de patiënt tijdens de narcose in een optimale conditie te brengen en houden, kan zomaar getroffen worden door de machine.

Om dit probleem zo veel mogelijk te vermijden, wordt een derde probleem in het leven geroepen. Anesthesisten hebben altijd allerlei kabels die van patiënt naar anesthesie-machine lopen voor monitoring en behandeling gedurende de ingreep. Onder andere een infuuslijn is onontbeerlijk om medicatie toe te kunnen dienen. Veranderingen in de toestand van de patiënt, een te lage bloeddruk bijvoorbeeld of een te hoge hartslag, vereisen actie van de anesthesist. Afhankelijk van de ernst van het probleem is het noodzakelijk dat er snel gehandeld wordt. Door de plaats die ingenomen wordt door Foefie
is het onmogelijk de medicatie direct toe te dienen in de aders van de patiënt. In plaats daarvan moet dit gebeuren via een extra-extra-lange infuuslijn. Waardoor het extra-extra-lang duurt voor de medicatie aankomt. Iets wat niet per se bevorderlijk is voor de gezondheid van de patiënt.

Verder vereist Foefie dat de patiënten op een zeer lange operatietafel komen te liggen. Een tafel die de anesthesist nauwelijks toelaat te intuberen om te verzekeren dat de patiënt beademd kan worden gedurende de operatie. Die het eveneens onmogelijk maakt op een efficiënte manier de benodigde infusen aan te brengen.

Een verder probleem is dat ons moderne stukje technologie medische toeristen aantrekt. Artsen uit andere ziekenhuizen komen veel te vaak op bezoek om te zien hoe het werken met deze machine gaat. De patiënt wordt tot een toonmodel gereduceerd.

Soms is stilstand de betere optie.