Prinsesje

“Kom snel!! Er is een meisje gekomen met heel erge buikpijn.” Het was een beetje een ongewone roep in onze “nood”-dienst, waar negentig procent van de patiënten geen zuster kunnen bewegen om snel iets te doen, omdat hun klachten medisch gezien überhaupt niet dringend zijn. Ik liet dus vallen waar ik mee bezig was en ging met de zuster mee om te gaan kijken wat er aan de hand was.

Wanneer ik de behandelruimte binnenren zie ik een pubermeisje op de onderzoekstafel liggen, haar benen ondersteund door een jonge man. Het meisje heefte duidelijk enorme pijn, dus terwijl ik vraag wat er gebeurd is, welke klachten ze buiten pijn nog heeft en dergelijke meer, leg ik direct een infuusnaald, neem bloed af en sluit het infuus met pijnstillende medicatie aan dat de zuster ondertussen voorbereid heeft.

Zoals dat gaat komt een ongeluk echter nooit alleen en wordt ik op dat moment gebeld dat op de afdeling een patiënt bewusteloos op de gang is gevonden. Hoewel ik weet dat het om een drugverslaafde patiënt gaat die zich nauwelijks laat helpen en die het voltallige personeel tegen zich in het harnas heeft gejaagd, kan ik een bewusteloze niet aan zijn lot overlaten. De meest dringende maatregelen zijn genomen bij mijn jonge patiënte, dus ik laat haar achter in de handen van de zuster en beloof zo snel mogelijk terug te komen.

Nadat ik mijn andere patiënt van de vloer heb gekrabd en op de intensieve zorgen heb geparkeerd, kom ik terug in de kamer met de zieke jongedame. Ondertussen is ze door twee jonge mannen en haar moeder vergezeld. Mijn oorspronkelijke inschatting dat het bij de jonge man om een vriendje ging, is door de komst van het tweede exemplaar onwaarschijnlijk geworden. De moeder zit op een krukje en houdt het schouwspel in het oog. De ene man houdt nog steeds de benen van de patiënte vast, omdat het haar pijn doet deze uit te strekken – een typisch symptoom voor ernstigere buikproblemen. De andere man houdt haar hand vast. Beiden zijn erg bezorgd en gemotiveerd om mij alle relevante informatie te geven, zodat ik hopelijk snel tot een correcte diagnose kan komen. Het grootste deel van mijn aandacht is ook hierop gericht, terwijl ik minder bewust probeer in te schatten wat de relatie tussen dit meisje en de twee jonge kerels is. Langzaam begint het mij te dagen: voor de verandering heb ik geluk en is het niet één of ander stel ongeregeld dat mijn spoeddienst is komen binnenvallen. Het is een hechte en zorgzame familie en het meisje is hun prinsesje dat door ouders en broers met liefde en aandacht omringd wordt.

Goed te weten dat dit soort families ook nog bestaan.

Advertisements

Spaghetti- en crisismanagement

Anesthesie heeft de reputatie zeer simpel te zijn: de patiënt te slapen leggen, koffie drinken om zelf wakker te blijven en dan de patiënt weer wakker maken. Het is het beeld dat bij andere medische specialisten heerst als het over anesthesie gaat. Dat het niet uit de lucht gegrepen is, blijkt uit het feit dat anesthesisten zelf net zo over hun vak spreken. Bij de start op mijn nieuwe afdeling, werd ik gerustgesteld door één van de oude rotten: “Je zult zien: het is een eenvoudig vak.”

De vooroordelen over het koffiedrinken, worden nog sneller bevestigd dan die over de eenvoud van het specialisme. De eerste dag wordt ik meegestuurd met een meer ervaren collega. Het eerste wat ze mij uitlegt is niet hoe men narcose uitvoert of een anesthesiemachine bedient, maar hoe men de koffieautomaat de levensnoodzakelijke drug kan ontfutselen.

Toch is niet alles in anesthesie eenvoudig. Zo lang alles goed gaat, bestaat het werk er inderdaad in om te wachten tot de chirurgen klaar zijn met hún deel van de arbeid. Voor en na de operatie zijn er in het algemeen zo’n vijftien minuten waarin de anesthesist zijn kunsten mag tonen. Het laten slapen van de patiënt is niet zo moeilijk, het aansluiten op de beademingsmachine overzichtelijk en het in leven houden van de patiënt meestal een routinezaak.

Er zijn echter twee grote moeilijkheden aan het anesthesiologisch werk verbonden. Het eerste daarvan is onverwacht: het beheren van de spaghetti. Niet de Italiaanse glibberige slierten natuurlijk. De anesthesiologische spaghetti bestaat uit een set van kabels voor de observatie van hartfunctie, bloedsomloop en bloeddruk, een set beademingsslangen en meerdere infuusleidingen. Het aantal van deze dingen wordt bepaald door de gecompliceerdheid van de operatie en de algemene toestand van de patiënt. Alles samen zijn het gemakkelijk tien tot twintig leidingen en kabels die niets liever doen dan zich in een innige omhelzing verstrengelen. Het gevolg daarvan zou zijn dat ze hun functie niet naar behoren uitvoeren en dat in noodgevallen geen overzicht bestaat over wat wat is en er dus fouten kunnen optreden. De opdracht van de anesthesist bestaat er dus vooral in deze slierten aan het lijntje te houden.

De eerste helft van de opleiding besteedt men vooral aan het leren beheren van dit grote spaghettimonster. De tweede helft heeft men nodig voor de tweede moeilijkheid: het bezweren van voorkomende crisissen. Anesthesie is namelijk het vak van de “hours of boredom, minutes of excitement, seconds of terror.” Zoals gezegd heeft de anesthesist niks te doen zolang alles goed gaat met de patiënt, maar de momenten van verschrikking vergen een directe reactie. Als in: DIRECT. Een minuut te laat reageren kan in zo’n geval al dodelijk zijn.

Welke van beide moeilijkheden de grootste is, is niet geheel en al duidelijk.

Moord en doodslag

 

In memoriam Reinhard K.

Ethiek is een onderschatte discipline van de moderne geneeskunde. Het onderzoeken van wat goed en slecht is, is zeer belangrijk. Ik spreek dan niet zo zeer over de theoretische, abstracte studie hiervan. Hoewel ook dat belangrijk is, gaat het in de geneeskunde over concrete vragen over concrete mensen en hun concrete problemen.

Een arts is, afhankelijk van zijn werkomgeving, regelmatig in een situatie waar beslissingen over leven en dood worden genomen. Een anesthesist is uit de aard van zijn werk vaak in dit soort situaties. Hij staat aan de knoppen van andermans leven. Letterlijk. Patiënten met ernstige ongelukken, zware ziektes of op de operatietafel hebben doorgaans kunstmatige beademing of ondersteuning voor hart en bloedsomloop nodig. De specialisatie van de anesthesist. Het te vroeg of ongecontroleerd beëindigen van deze therapieën kan in veel omstandigheden tot de dood van de patiënt leiden. Soms wordt verwacht dat artsen beslissen over de zin van de therapie: wanneer het voortzetten ervan niet meer leidt tot genezing, het lijden verlengt en een dode verhindert te sterven.* Deze beslissing is echter niet eenvoudig. Een kristallen bol heeft niemand. Patiënten die tegen alle verwachtingen in weer herstellen uit een schijnbaar hopeloze toestand bestaan.

Hoe vaak in dergelijke situaties de verkeerde beslissing genomen wordt, is niet te achterhalen. Een patiënt die het misschien gehaald had niet verder behandelen? Het wordt niet bewust gedaan, de therapie niet onderbroken om iemand om te brengen. Toch is daar de vraag: is dit doodslag?

Nog moeilijker is dit te zeggen in de omgekeerde situatie, waar geen therapie wordt onderbroken, maar net tot een bepaalde therapie wordt besloten. Zeker bij het stellen van de indicatie voor zware, ingewikkelde, gevaarlijk operaties. De bedoeling is dat de patiënten er uiteindelijk beter van worden, om hen een stuk leven te geven dat ze anders niet hadden gehad. Helaas is bij dergelijke operaties het risico op complicaties niet te verwaarlozen. De dreiging van complicaties met dodelijke afloop, is bij enkele ingrepen heel reëel. Zolang deze operaties worden doorgevoerd om de patiënt te helpen, zolang de patiënt het eens is met de behandeling, valt de arts geen moord te verwijten wanneer het onverhoopt catastrofaal afloopt.

Wat is het echter wanneer het helpen van de patiënt niet meer de intentie is? Wat te denken van de chirurg die zijn patiënt opereert niet omdat hij in eer en geweten meent dat het zijn medemens ten goede komt, maar om te laten zien wat hij kan? Gemotiveerd door een corrupt systeem dat artsen motiveert zo veel mogelijk zeer zieke patiënten te opereren door het toekennen van punten en daaraan verbonden financiële middelen, overreedt de chirurg zijn patiënt tot een operatie. Daartoe verwaarloost hij de risico’s die eraan verbonden zijn. De succeskansen worden als zijnde bijna 100% voorgesteld. Complicaties komen voor maar zijn, zo wordt gesuggereerd, zeldzaam.

Tijdens de operatie is de patiënt weerloos overgeleverd aan het medische personeel. Hij kan niet meer zeggen wat hij nog wel of niet meer wil. De chirurg wil kost wat kost de operatie laten slagen. Urenlang, verbitterd verder opererend is zijn enige doel het perfecte plaatje te creëren. Hij is blind voor de mens die in het roerloze lichaam op de operatietafel huist. Naarmate de tijd verstrijkt gaat het steeds slechter met de patiënt. Indien de operatie wordt afgebroken zou de toestand gestabiliseerd kunnen worden. Daar heeft de chirurg echter geen oren naar: hij is nog niet klaar met opereren. Hij geeft instructie dat er bepaalde medicatie toegediend moet worden om de operatie te vereenvoudigen. Het enorme bloedverlies voor de patiënt, is voor de chirurg niet van belang. Uiteindelijk bloedt deze patiënt dood. Is dit moord?

De anesthesist die de operatie begeleidde, die de patiënt onder narcose bracht en hulpeloos aan de chirurg overleverde, die de instructies van de chirurgen opvolgde om de fatale medicatie toe te dienen – al dan niet na daartegen protest te hebben aangetekend – wetend tot wat voor problemen dit zou kunnen voeren, is deze anesthesist medeplichtig aan moord.

Wordt vervolgd.

*Dichterlijke vrijheid zo te zeggen. Sommige patiënten zijn op het einde van hun leven aangekomen, maar de medische techniek verhindert het hen de laatste stap op hun levensweg te zetten.

Moderne ergernissen

“Stilstand is achteruitgang.” Een vaak gehoord motto in allerlei omstandigheden. Het is eveneens een excuus voor de zogenaamde progressieven om allerlei vernieuwingen door te voeren. Vernieuwingen die niet altijd een verbetering zijn en soms zelfs een slechtere situatie creëren. Een feit dat ook in de medische sector bekend is.

Het ziekenhuis is trots op zijn “super operatiezalen.” Naast de oudere ruimtes zijn sinds enkele maanden twee nieuwe, hypermoderne zalen in gebruik genomen. Niet dat er nu twee zalen meer gebruikt kunnen worden; door personeelsgebrek zijn twee van de oudere zalen nu gesloten.

Eén van beide nieuwe zalen is nog “beter” uitgerust dan de andere.

Voor ik de eerste keer aan het werk was in deze zaal, had ik van enkele collega’s uit de anesthesie al klachten gehoord. Volgens hen was er veel te weinig ruimte voorzien voor de anesthesisten en was het daardoor erg onaangenaam daar te werken. Ik had maar met een half oor geluisterd. Per slot van rekening wordt er overal en over alles gemopperd.

Toen ik voor het eerst mijn slaapverwekkende kunsten ten toon mocht spreiden in deze zaal, was ik onvoorbereid op de problemen die deze super-operatiezaal met zich meebrengt.

Het nieuwe aan de zaal lag voor de hand. Het zogenaamde “super” bestaat uit een intra-operatieve CT-scan. Röntgenbeelden worden al langer tijdens bepaalde operaties gebruikt, vooral door traumachirurgen die gebroken botten weer samen puzzelen. Het nieuwe toestel is niet enkel in staat om röntgenfoto’s te maken, maar ook scans. Op die manier is het mogelijk beenderen en andere structuren van verschillende hoeken en in
meer detail te bekijken​ dan met klassieke foto’s.

Hoe mooi dat allemaal ook mag klinken, zo’n toestel heeft niet alleen maar voordelen. Om te beginnen kan een overmatige blootstelling aan röntgenstralen schadelijke effecten hebben op de gezondheid. Zolang die moderne machine enkel foto’s maakt gebruikt het niet meer – mogelijk zelfs minder – straling dan de oude toestellen die in gebruik zijn. Bij het maken van scans is echter veel meer straling nodig. Door het beschikbaar zijn van de
optie om scans te maken, wordt er ook gescand. Dit is geen veronderstelling, maar de realiteit. Mijn eerste patiënt in deze zaal werd aan de wervelzuil geopereerd. Het is tegenwoordig standaard om na zo’n ingreep een CT-scan te maken. Bij de patiënt in deze zaal was het niet nodig deze postoperatieve scan te maken, omdat er al 3 (drie) scans gemaakt waren tíjdens de operatie. Kortom, een eerste probleem met de moderne zaal is de overmatige blootstelling van patiënten en personeel aan röntgenstraling.

Er zijn echter nog meer klachten over Foefie – de bijnaam die een van de personeelsleden aan de machine gegeven heeft. Foefie is ook een fysieke bedreiging voor de anesthesist. De scan wordt gemaakt door de röntgenbron en -ontvanger rond de patiënt te draaien. Het toestel beweegt zich ten dele zelfstandig, op commando van de chirurg. Niemand die kijkt of er nog iemand in de weg staat. De anesthesist staat direct naast Foefie opgesteld en loopt het grootste risico door de bewegende armen omvergemaaid te worden. Een
toevallig in de weg staande anesthesist, bezig de patiënt tijdens de narcose in een optimale conditie te brengen en houden, kan zomaar getroffen worden door de machine.

Om dit probleem zo veel mogelijk te vermijden, wordt een derde probleem in het leven geroepen. Anesthesisten hebben altijd allerlei kabels die van patiënt naar anesthesie-machine lopen voor monitoring en behandeling gedurende de ingreep. Onder andere een infuuslijn is onontbeerlijk om medicatie toe te kunnen dienen. Veranderingen in de toestand van de patiënt, een te lage bloeddruk bijvoorbeeld of een te hoge hartslag, vereisen actie van de anesthesist. Afhankelijk van de ernst van het probleem is het noodzakelijk dat er snel gehandeld wordt. Door de plaats die ingenomen wordt door Foefie
is het onmogelijk de medicatie direct toe te dienen in de aders van de patiënt. In plaats daarvan moet dit gebeuren via een extra-extra-lange infuuslijn. Waardoor het extra-extra-lang duurt voor de medicatie aankomt. Iets wat niet per se bevorderlijk is voor de gezondheid van de patiënt.

Verder vereist Foefie dat de patiënten op een zeer lange operatietafel komen te liggen. Een tafel die de anesthesist nauwelijks toelaat te intuberen om te verzekeren dat de patiënt beademd kan worden gedurende de operatie. Die het eveneens onmogelijk maakt op een efficiënte manier de benodigde infusen aan te brengen.

Een verder probleem is dat ons moderne stukje technologie medische toeristen aantrekt. Artsen uit andere ziekenhuizen komen veel te vaak op bezoek om te zien hoe het werken met deze machine gaat. De patiënt wordt tot een toonmodel gereduceerd.

Soms is stilstand de betere optie.

Donderslag bij heldere hemel

Het is maar goed dat we niet weten wat ons te wachten staat. Kennis over komende problemen en tegenslagen zou voor velen waarschijnlijk verlammend werken. Wat zou men doen als men zou weten de volgende dag met een dodelijke ziekte in het ziekenhuis te liggen?

Een patiënte die dreigde flauw te vallen in onze wachtkamer heeft zich die vraag misschien wel gesteld. Terwijl ik bezig was met een andere patiënt, kwam de verpleegkundige de kamer in gerend en zei dat ik direct moest meekomen. Verpleegkundigen kennen artsen en hun tijdsaanduidingen maar al te goed. “Ik ben onderweg,” betekent dat de arts binnen 3-5 minuten te verwachten is. “Ik kom zo,” is equivalent met: “Ik ben mijn lunch nog aan het eten, maar kom daarna.” “Vijf minuten,” garandeert dat de gezochte arts in het volgende half uur komt opdagen. “Ik kom zodra ik tijd heb,” wil eigenlijk zeggen: “Met wat geluk ben ik er voor het einde van mijn dienst.” Wanneer er een echt noodgeval is, weten de verpleegkundigen dat ze hen dus bij de kraag moeten vatten en meenemen. Een verpleegkundige die zegt “nú”, zorgt er dan ook voor dat ik ren.

De patiënte waarom het ging was door een paar verpleegkundigen al op een brancard gelegd. Wat ik van hen hoorde was dat ze in de wachtkamer onwel was geworden. Meer wist ik niet. Ik legde direct een infuusnaald en probeerde de patiënte, die bleek en zwetend voor mij lag, te ondervragen. Ze had haar ogen open en reageerde op wat ik zei. Ze reageerde adequaat: een opdracht om armen en benen te bewegen voerde ze direct uit en op eenvoudige vragen kon ze met een hoofdbeweging ja of nee antwoorden. Op mijn vraag wat er gebeurd was, kwam echter geen antwoord. De patiënte, een circa veertigjarige vrouw, maakte aanstalte te antwoorden, maar er kwam geen woord over haar lippen. Even dacht ik dat de verklaring daarvoor was dat ze overstuur was door wat er met haar gebeurde of dat ze zich niet goed voelde door de lage bloeddruk die ze op dat moment had. Relatief snel zei mijn intuïtie mij echter dat er meer aan de hand moest zijn.

Om mijn vermoeden – dat het om een beroerte of een hersenbloeding zou kunnen gaan – verder te onderzoeken, schreef ik een computertomografie voor. Omdat ik niet wist wat er met de patiënte aan de hand was, ze nog steeds een lage bloeddruk had en ik bang was dat het plotseling veel slechter zou kunnen gaan – wat bij hersenbloedingen niet ongebruikelijk is – bleef ik erbij terwijl de scan werd gemaakt. Ik keek direct mee op het scherm, waar laag voor laag de structuren van de hersenen werden afgebeeld. Ondanks het feit dat ik geen radioloog noch neuroloog ben, zag ik direct dat er een probleem was. De linkerhelft van de grote hersenen was veel donkerder dan het hoort. “Mogelijk inderdaad een beroerte,” ging het door mijn hoofd. Om de diagnose te laten bevestigen, belde ik de radioloog met de vraag de scan te bekijken. Het bleek geen beroerte maar nog erger. De kenmerken van de afwijking wezen volgens mijn collega op een uitzaaiing van borstkanker.

Een volkomen onverwachte diagnose. De patiënte was zich niet bewust van enige ziektes die ze zou kunnen hebben. Tot een uur, of zelfs minuten, voor ze bij mij werd binnengebracht ging ze ervan uit dat ze volkomen gezond was en deed ze alles wat een mens zoal doet in zijn dagelijks leven. Plots lag ze in het ziekenhuis, niet in staat te spreken en met het doodsvonnis van borstkanker met hersenmetastasen.

Machteloos

Een spoedafdeling is uit de aard van de zaak een verzamelplaats van menselijk lijden. Mensen voor wie alles naar wens gaat, bevinden zich daar niet. Het personeel is er bijgevolg op voorbereid allerlei problemen te helpen oplossen: van bloedende wonden en gebroken benen, over buikpijn, (angst voor) hartinfarcten, tot door alcohol veroorzaakte problemen en zelfs zelfmoordpogingen.

Voor mensen die met dit soort problemen naar onze spoedafdeling komen, kunnen we doorgaans iets doen, al was het maar hun klachten verzachten of een crisis bezweren. Natuurlijk zijn zelfmoordgedachten niet binnen de korte tijd die de patiënten op de spoedafdeling doorbrengen volledig te verhelpen. Er zijn echter mogelijkheden om een crisis te bezweren en de patiënten in een veilige omgeving onder te brengen. Zo kan men toch iets doen voor de betroffene. Soms zit men echter met de handen in het haar en weet überhaupt niet wat te doen.

Bijzonder problematisch zijn echte of vermeende vluchtelingen. Deze spreken de lokale taal niet, hebben geen sociaal vangnet, weten niet hoe de gemeenschap georganiseerd is, enzovoort. Bijvoorbeeld een patiënte die ‘s avonds op last van de politie met een ziekenwagen werd afgeleverd. De vrouw was naar verluid aangevallen, aan het haar getrokken en in de buik geslagen. De politie is niet bevoegd om de medische gevolgen van een dergelijke actie te te beoordelen en omdat de voorschriften het vereisen worden de slachtoffers routinematig door een arts gezien. Op de spoed worden ze onderzocht, indien nodig behandeld en de medische toestand wordt beschreven.

Wat in dit geval minder routine was, was dat de patiënte enkel haar moedertaal sprak en verder niets. Omdat niemand van het aanwezige personeel Farsi sprak, waren de mogelijkheden beperkt. De politie had de dochter des huizes meegestuurd om te vertalen: een jong meisje, misschien zeven jaar oud. Een meisje dat worden als “bloed” niet kent en dus ook niet kan vertalen. Een meisje dat niet begrijpt wat een huisarts is en dus geen idee heeft wie de huisarts met weekenddienst bij hen in de buurt is.

Mijn belangrijkste medische instrument, een goede anamnese, is door deze omstandigheden volkomen ontoegankelijk. Alle medische technologie ten spijt, is het noodzakelijk dat de patiënten hun klachten kunnen beschrijven, anders kunnen we de beschikbare onderzoeken niet adequaat inzetten.

Met de informatie die van getuigen, via de ambulanciers tot bij mij is doorgedrongen, de primitieve vertalingen van de dochter en enkele gebaren, kom ik erachter dat buikpijn het probleem is. Met een echo-onderzoek kan ik interne verwondingen uitsluiten. Een controle de dag daarop dringt zich echter op uit de omstandigheden en de resultaten van mijn onderzoek. De jonge tolk heeft geen idee wat ik probeer te zeggen; wat mij duidelijk wordt uit de vertaalde antwoorden die ik krijg. Er lijken geen familie noch bekenden te zijn die vrouw en kind kunnen komen bezoeken. Ik heb geen zicht op de omstandigheden waar ik hen naartoe stuur als ik hen laat gaan. Ik heb echter ook geen reden om hen als patiënt op de nemen en in het ziekenhuis te houden, maar hen op straat zetten wil ik eigenlijk ook niet.

Bij medische vragen, heb ik collega’s op wie ik kan terugvallen om casussen te bespreken en de beste oplossing te vinden. In dit geval neem ik echter niet de moeite hen lastig te vallen. Het ging tenslotte niet om een medisch maar om een sociaal probleem. De leerboeken en jarenlange studie aan de medische faculteiten helen hier niets.

Er is geen goede oplossing.

Het is ook nooit goed

 

Artsen wordt vaak verweten dat ze paternalistisch zijn, beslissingen nemen zonder de patiënten te informeren en niet genoeg te communiceren. Als gevolg van deze – deels terechte – verwijten, worden allerlei bureaucratische maatregelen getroffen. Een centrale rol daarbij speelt de “geïnformeerde toestemming” – “informed concent” in mooi Nederlands.

De theorie daarachter is dat de patiënten geïnformeerd moeten worden over der voor- en nadelen van een operatie, een deelname aan een medisch onderzoek, etc. , etc. Daardoor spendeer ik in het ziekenhuis veel tijd om de mensen te vertellen wat de gevaren zijn van de operaties die gepland zijn en wat er kan gebeuren als er niet wordt geopereerd. Deze gesprekken brengen allerlei moeilijkheden met zich mee. Ten eerste: het verwacht van de arts een bepaalde graad van helderziendheid. Er bestaan allerlei richtlijnen, gebaseerd op onderzoeken die zelf niet zonder problemen zijn, waarin wordt voorgeschreven wat in welke omstandigheden te doen is. Helaas zijn er niet voor iedere patiënt individuele richtlijnen beschikbaar. Wat in het algemeen goed is, kan voor een individuele patiënt dramatisch uitpakken.

Medische onderzoeken – studies – voeren tot een tweede probleem: ze worden uitgevoerd door enorme aantallen wetenschappers en lopen over meerdere jaren. De details van de informatie, die met die onderzoeken worden verzameld, samen te vatten in de vijf tot tien minuten die voor de gesprekken zijn voorzien, is een schier onmogelijke taak.

Verder is er nog een belangrijk probleem waar men niet omheen kan: de patiënt. De voorstellingen die de meeste patiënten hebben over de informatieplicht van de artsen maakt het zeer gecompliceerd om de gesprekken zinvol door te voeren. Een substantieel deel van de patiënten is niet echt in staat de betekenis van kansen en risico’s te vatten. Anderen bevinden zich in een noodsituatie. Daarbij heb ik het niet enkel over de echt dramatische gevallen waar de patiënt comateus is of om andere redenen niet meer in staat is zijn wensen te uiten. Een patiënt met een blindedarmontsteking voelt zich doorgaans ellendig. Sterke buikpijn, misselijkheid, koorts in verschillende combinaties. Dikwijls bestaan de klachten al meerdere dagen voor de patiënt in het ziekenhuis landt. In dergelijke omstandigheden hebben de mensen geen oren naar de risico’s van de voorgestelde behandling: ze willen gewoon beter worden.

Bovendien is er een niet onbelangrijk deel van de mensen die zelf geen beslissingen willen nemen. Dat is niet alleen een indruk die ik heb, maar iets wat een patiënt letterlijk gezegd heeft. Deze verwachtte dat de arts de beslissing neemt, de patiënt op de hoogte stelt over wat er gedaan gaat worden en dit dan door te zetten. Met andere woorden: dat men volgens de oude paternalistische manier van werken verder gaat. Wat doorgaans als ouderwets wordt afgedaan, is toch nog gewenst door sommigen.

Het is nooit voor iedereen goed.